Wabo en omgevingsvergunning

 

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Kern van de Wabo is de omgevingsvergunning, die in de plaats is gekomen van de bouwvergunning, de milieuvergunning, de kapvergunning en nog 22 andere vergunningen voor een ruimtelijk project. De proceduretijd is vereenvoudigd en verkort: 8 weken voor eenvoudige projecten, 26 voor moeilijke. Als gevolg van de Wabo zijn ook hele stukken uit de Wet milieubeheer, Woningwet en Wet ruimtelijke ordening verdwenen.

 

Geïntegreerde omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning voegt de toestemmingen samen die nodig zijn als een burger of een ondernemer op een bepaalde plek iets wil gaan slopen, (ver)bouwen of gaan gebruiken.

De Wabo integreert daartoe een groot aantal (circa 25) vergunnings-, ontheffings- en andere toestemmingstelsels tot één omgevingsvergunning. Het gaat hierbij niet alleen om vergunningstelsels in rijksregelingen, zoals de milieu-, bouw- en monumentenvergunning, maar ook om vergunningstelsels in provinciale- en gemeentelijke verordeningen (zoals de gebruiksmelding en kapvergunning).

Minder administratieve lasten
De terras- en exploitatievergunning zijn niet opgenomen in de Wabo. Eén geïntegreerde vergunning voor bouwen, ruimte en milieu (en natuur)  moet leiden tot minder administratieve lasten voor bedrijven en burgers, een betere dienstverlening door de overheid en kortere procedures.

Ondernemers die verschillende vergunningen nodig hebben als zij bijvoorbeeld een horecabedrijf willen bouwen of verbouwen hebben als regel immers een eenvoudige vraag aan de overheid: "mag dat?". Met de omgevingsvergunning kan één bestuursorgaan die vraag met één vergunning beantwoorden.

Duidelijkheid voorop
De vergunningen werden voorheen vaak verstrekt door verschillende overheidsinstanties. Dit was onoverzichtelijk en tijdrovend en daarbij kon het leiden tot tegenstrijdige beslissingen. Bovendien kostte het bedrijven veel geld. Nu worden alle eisen via de omgevingsvergunning op elkaar afgestemd. Het bevoegd gezag dat de vergunning verleent is ook belast met (de coördinatie van) de handhaving.

Eén loket
Uitgangspunt bij de omgevingsvergunning is dat de aanvrager geen hinder ondervindt van de manier waarop de overheid is georganiseerd. De aanvrager van een integrale vergunning kan nu terecht bij één loket. Dat loket is bij de gemeente te vinden; het overheidsniveau dat het dichtst bij de burger staat.

Aanvraag
De aanvrager bepaalt vervolgens of hij de vergunning digitaal via of op papier aanvraagt. Het aanvraagformulier leidt hem via stroomschema's langs de vragen. Ook wordt vermeld welke aanvullende stukken ingediend moeten worden. Het voordeel is dat de aanvrager nog maar één keer bepaalde gegevens hoeft in te vullen. De aanvraag wordt, net als de belastingaangifte, digitaal verwerkt. 

De aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt beoordeeld door één bevoegd gezag, meestal burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten. Na het indienen van één aanvraag volgt één besluit, waarop zonodig één rechtsbeschermingprocedure volgt.

De procedure
De reguliere procedure voor de vergunningaanvraag duurt maximaal acht weken en kan één keer worden verlengd met zes weken. Deze procedure geldt voor de meeste aanvragen.

Bij complexere aanvragen - dat zijn in de regel situaties waar een ondernemer nu een milieuvergunning voor nodig heeft - duurt de procedure maximaal zes maanden, die ook één keer met zes weken kan worden verlengd.

De reguliere procedure kent een "fatale termijn". Dit betekent dat de vergunning na afloop van deze termijn van rechtswege is verleend. De uitgebreide procedure heeft geen fatale termijn. Tegen een vergunning is soms bezwaar mogelijk, maar altijd beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wat vindt KHN
Koninklijke Horeca Nederland is het eens met de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de omgevingsvergunning. Minder administratieve lasten, betere dienstverlening door de overheid en kortere procedures zijn even wenselijk als noodzakelijk. Ook het kiezen van het uitgangspunt van de één-loket benadering is positief. Dit lost veel praktische knelpunten op.

Een punt van aandacht blijft dat er altijd moet worden blijven gekeken of (deel)vergunningen afgeschaft dan wel op onderdelen opgeschoond/ verbeterd kunnen worden.

Uniformering leges 
Het is voor Koninklijke Horeca Nederland altijd een raadsel geweest waarom de leges van de ene gemeente zoveel hoger moeten uitvallen dan die van de andere zonder dat daar een aanwijsbare oorzaak voor is. Het is daarom een positieve ontwikkeling dat de overheid in dit kader naar een soort  "aanwijzing" streeft hoe de legesstructuur voor de omgevingsvergunning op te zetten. Als de Tweede Kamer zijn zin krijgt komt er nog een AMvB die een uniformiteit  brengt in de mate van kostendekkendheid van de lokale leges.

Omgevingsvergunning: een slimme vergunning
Het project omgevingsvergunning mag niet ten koste gaan van het onderzoeken van nut en noodzaak van afzonderlijke vergunningen en hun onderlinge samenhang. Met andere woorden: het bundelen van de thans bestaande vergunningen in een omgevingsvergunning betekent niet dat je alles wat nu bestaat klakkeloos in die omgevingsvergunning moet stoppen.

Zo is het prima mogelijk om bestaande vergunningen af te schaffen en te vervangen door een meldingsplicht en/of algemene regels. De vroegere gebruiksvergunning, de terras- en reclamevergunning zijn hier goede voorbeelden van. Naast het afschaffen van vele vergunningen, moet binnen vergunningen die wel noodzakelijk zijn altijd worden gekeken of deze op onderdelen niet verbeterd kunnen worden. Het opnemen van een dergelijke vergunning binnen de methodiek van de omgevingsvergunning doet daar niet aan af. 

Geldigheidsduur
Uitgangspunt is dat de omgevingsvergunning zaaksgebonden en voor onbepaalde tijd geldig is.

Fasering
De omgevingsvergunning kan gefaseerd aangevraagd worden. Het blijft dan één vergunning maar de beoordeling van de aanvraag gebeurt in twee fasen.

Het voordeel hiervan is dat men eerst zekerheid kan krijgen of men een bepaalde activiteit überhaupt op een locatie mag uitvoeren (bijvoorbeeld in het kader van de milieutoets). De ondernemer hoeft zo nog geen kosten te maken voor  het bouwbestek dat nodig is voor de Bouwbesluittoets. 

Ook staat nog altijd de mogelijkheid open om in plaats van de omgevingsvergunning deelvergunningen aan te vragen. Dat uitgangspunt verandert dus niet met de Wabo. De ondernemer moet dat alleen doen als het niet anders kan, want anders is hij een dief van zijn eigen portemonnee en duurt het allemaal nog langer dan nodig.

Casus uitbreiding serre

Een monumentaal horecabedrijf in een bosomgeving wil een serre met terras bouwen op de plaats waar nu een klein gebouwtje staat. Daarvoor moeten een paar bomen wijken. Bovendien valt de serre juist buiten het bouwblok. Om het bezoekers gemakkelijker te maken serre en terras snel te bereiken, is een nieuwe uitrit nodig. Uiteraard wordt de serre voorzien van de naam van het bedrijf en is er een alarminstallatie. 

Tot 1 januari 2010 moet de horecaondernemer de volgende vergunningen aanvragen: een sloopvergunning om het gebouwtje te mogen slopen, een bouwvergunning en binnenplanse vrijstelling voor de bouw van de serre, een kapvergunning voor het vellen van de bomen, een monumentenvergunning voor het wijzigen van het monument, een gebruiksvergunning in verband met de brandveiligheid, een vergunning voor een alarminstallatie aan de gevel en een uitritvergunning. 

Vanaf 1 januari 2010 is slechts één vergunning nodig: de omgevingsvergunning voor het project serre met de activiteiten ‘bouwen', ‘gebruiken van een bouwwerk met het oog op de brandveiligheid', ‘hebben van een alarminstallatie in of aan een onroerende zaak', ‘vellen van een houtopstand', ‘wijzigen van een beschermd monument', ‘maken van een uitweg' en ‘maken van handelsreclame'.

 

Terug
Download de gratis KHN App

https://twitter.com/khn 787936653616742400