Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (het CBB) heeft zich uitgesproken in een kwestie over een TVL-aanvraag. De vraag was wanneer de ondernemer met zijn bedrijfsactiviteiten was gestart en dus omzet begon te behalen in de referentieperiode. Het RVO vond dat de inschrijfdatum in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als startdatum voor de bedrijfsactiviteiten gold. Het CBB kiest nu voor een andere benadering. Wat betekent deze uitspraak voor horecaondernemers?

Uit de onderliggende stukken bleek alleen dat na de datum inschrijving het pand eerst was verbouwd en de benodigde vergunningen voor de onderneming moesten worden aangevraagd. Deze werden enkele weken later verleend en pas toen mocht, en kon, de onderneming feitelijk open en omzet gaan behalen. De TVL werd geweigerd omdat, kort gezegd, de omzetderving minder dan 30% betrof ten opzichte van de referentieperiode. In die referentieperiode zaten ook de eerste weken waarin het bedrijf nog niet open kon/mocht en dus in het geheel geen omzet draaide.

Oordeel CBB

Het CBB kiest voor een andere benadering dan het RVO. Het CBB begrijpt dat bij een TVL-aanvraag de gegevens van het handelsregister eerst leidend zijn voor het RVO, omdat op deze manier snel heel veel gedupeerde mkb-ers kunnen worden geholpen. Maar als de ondernemer aan de hand van objectieve gegevens kan onderbouwen dat de ondernemingsactiviteiten, en dus het generen van omzet, feitelijk later zijn gestart, dan moet het RVO deze stukken in de beoordeling betrekken en indien nodig uitgaan van die (latere) datum waarop het bedrijf feitelijk open is gegaan als startdatum van de bedrijfsactiviteiten. Eerder heeft het CBB ook al uitgemaakt dat ten aanzien van de SBI-codes, waarmee meerdere bedrijfsactiviteiten van een onderneming bij de KVK staan geregistreerd, het RVO ook naar de feitelijke situatie mag kijken. Het heeft er dus alle schijn van dat het CBB praktischer naar dit soort kwesties kijkt dan het RVO.

Mogelijkheden in de praktijk

Op dit moment bestuderen we de uitspraak en kijken we welke mogelijkheden deze uitspraak biedt voor horecaondernemers. Het gaat om de juridische praktijk van individuele gevallen, die worden behandeld door de juristen en advocaten van Horeca Maatwerk bv. En we kijken ook naar het collectieve belang van de horecabranche. KHN voert hierover operationeel overleg met het RVO.